Een telkens terugkerend dilemma bij de benadering van het Groene Hart is de gewenste en noodzakelijke hoeveelheid woningbouw. De afgelopen decennia heeft de rijksoverheid de woningbouw sterk afgeremd om te voorkomen dat het gebied zou dichtslibben. Dat heeft resultaat gehad. Het aantal inwoners groeide tussen 2000 en 2004 met 0,8%, dat is aanmerkelijk minder dan het landelijk gemiddelde van 2,7%. De bevolkingstoename ligt onder de natuurlijke groei. Er vertrekken dus meer mensen uit het Groene Hart dan zich er vestigen. Dat verschil bedroeg in die periode ruim 3000 personen per jaar. Ook de werkgelegenheid groeit significant trager dan in de Randstad. Tussen 2000 en 2005 nam het aantal banen in het Groene Hart toe met 1,2%, tegenover 4,0% in de Randstad. Het soort banen dat er ontstaat sluit onvoldoende aan op het arbeidsaanbod van jonge mensen. Door het beperkte woningaanbod en de eenzijdige economische ontwikkeling, zien jongeren zich gedwongen te vertrekken naar de stad. De bevolking vergrijst daarmee relatief snel. Dat is een ontwikkeling die op den duur geen stand kan houden.
De woningproductie is de laatste jaren dus achtergebleven bij de landelijke trend, terwijl de vraag, net als in de rest van Nederland, nog steeds groeit doordat mensen ouder worden en langer zelfstandig blijven wonen en vooral doordat er steeds minder mensen in één woning wonen (verdunning).
In het Uitvoeringsprogrammaverschuift de nadruk van de aantallen woningen naar de kwaliteit van de woningbouwprogramma’s, zonder dat het beginsel van ‘bouwen voor eigen behoefte’ wordt losgelaten.
Voor alle nationale landschappen geldt het rijksbeleid dat er alleen gebouwd mag worden voor de ‘eigen behoefte’ van de gemeenten, het zogenoemde ‘migratiesaldo nul’. Naar de huidige inzichten van het rijk houdt dit in dat er tot 2020 nog 35.700 woningen mogen worden gebouwd. Elk jaar zal worden vastgesteld hoeveel woningbouwruimte nog beschikbaar is. De drie provincies overleggen met elkaar hoe zij eventueel verschuivingen binnen die ruimte aanbrengen.